De eerste keer, in vuur en vlam

XIV Festival Habano, Havana, Cuba

Zon, rum, fijn gezelschap en uitmuntende sigaren. Havana is de wereldhoofdstad van het genieten. Waar anders gaan levensgenieters heen om de filosofie van het genieten in de praktijk te brengen? Verslag van mijn eerste Festival del Habano, de traditionele sigarenhoogdag in het land van de rode aarde.

De pitstop bij El Peñon is een Pina Colada-stop. We krijgen een voorsmaakje van wat ons in Cuba te wachten staat wanneer de bus van de luchthaven naar het hotel hier, halverwege, halt houdt. Voor geen geld koop je een groot glas met het mengsel van melk, ijsblokjes en ananassap. Daarna wordt de fles Havana Club 3 años aangereikt. Rum voeg je toe zoveel je wil. Van negen ’s ochtends tot half zeven ’s avonds worden de plaspauzes van of naar de luchthaven hier bijzonder aangenaam doorgebracht. Een Cubaans voorbeeld van het nuttige aan het aangename paren.

Onze uitvalsbasis voor de duur van het Festival del Habano is het Hotel Nacionál de Cuba. Of de Nacional, voor de vrienden uit Vlaanderen. Het hotel opende de deuren in 1930. Lang voor van een embargo sprake was, kwamen gefortuneerde Amerikaanse toeristen massaal op vakantie in Cuba. Havana moet in die tijd een van de mooiste steden ter wereld zijn geweest. In dit luxehotel waren Frank Sinatra, Buster Keaton, John Wayne en Ernest Hemingway kind aan huis.

Glimlach

De Ava Gardner in mij is vooral opgelucht wanneer mijn galajurk heelhuids uit mijn reiskoffer tevoorschijn komt. Als ik de trans-atlantische vlucht van me wil afspoelen blijkt dat er geen warm water is. Een paar telefoontjes en een uur wachten later staan er een kamermeisje en een klusjesman voor de deur. Ze gooien alle kranen volledig open.  “Soms duurt het twee minuten. Soms twaalf. Als u na een kwartier nog geen warm water hebt, belt u dan gewoon opnieuw.” Ik zie de prachtig warme glimlach van beiden, bedank hen voor de hulp en weet: dit is Cuba.

Een renovatie van het Nacional in de jaren negentig kon niet vermijden dat de luister en praal van weleer met de tijd verdwenen zijn. Maar de oude liften, de monumentale luchters en het donkere hout van de bars ademen een zweem uit van de overvloed van weleer. Geen boetiekhotel in de wereld kan op tegen de authenticiteit van deze vergane glorie. In het decor dat Francis Ford Coppola een inspiratie noemde voor The Godfather II jaag ik het vuur in mijn eerste sigaar op Cubaanse bodem: een Montecristo Edmundo. Nog later verdrink ik mijn vermoeidheid in het fijne gezelschap van een paar mojito’s en een Partagas D4.

Reynaldo

I don’t like Mondays. Maar dat geldt niet in Havana. Tony Hoevenaars, de CEO van Cubacigar Benelux bv, neemt ons op sleeptouw door het oude centrum van Havana. We chambreren met een wandeling die eindigt in het Hostal Conde Villanueva. De gastheer van de groep troont ons mee naar de binnentuin van dit kleinschalige hotel waar elke van de negen suites naar een sigarenmerk is genoemd. Voor de exclusieve verdeler van Cubaanse sigaren in de Benelux is Cuba vaste prik. En toch geeft hij toe dat het telkens weer aanpassen is aan het ritme van Havana. Alleen laat het Cubaanse leven zich niet regeren door de wijzers van de klok. Mij stoort dat cultuurverschil geenszins. De zee van tijd voor het eten geeft me de kans de Casa del Habano in dit hotel te ontdekken.

Volgens kenners huist in deze gerestaureerde achttiende-eeuwse villa de mooiste Casa van heel Havana. Op de eerste verdieping vinden we de reden waarom Tony Hoevenaars beneden zo lang op zijn lunch wil wachten. Wie wil kennismaken met Reynaldo González en zijn exquise handgerolde sigaren kan dat hier. In kringen van sigarenfreaks is Reynaldo een echte celebrity. Het echte toetje voor sigarenliefhebbers wacht in deze drie kamertjes: een prachtige selectie uitgelezen havanna’s en het meest knusse rokerssalon dat ik ooit zag. Koffietje? Geen probleem. Voor de duur van het festival ligt de vloer van de Casa bestrooid met gedroogde tabaksbladeren. Wie hier geen zin krijgt in een sigaar valt waarschijnlijk nooit te verleiden.

Our Man in Havana

‘My mojito in La Bodeguita, my daiquiri in El Floridita’, sprak Ernest Hemingway. Zouden we hem durven tegenspreken? Omdat we graag weten over wat we spreken, namen we de proef op de som. La Bodeguita del Medio is anno 2012 een toeristenval. Duizenden ‘I was here’-handtekeningen op de muren en mojito’s waar Hemingway vandaag zijn neus zou voor ophalen. Doe ons dan maar de daiquiri’s in El Floridita. Gedempt licht, een inrichting die niet ver staat van die van de jaren dertig, een Cubaans bandje. De cocktailbar ademt zodanig veel sfeer uit dat het niet eens stoort dat de Cubanen hier in de minderheid zijn. Een bronzen Hemingway hangt eeuwig aan de toog. Al waart hier ook de geest rond van Graham Green, Our Man in Havana. En de daiquiri’s? Waarom denkt u dat Hemingway hier niet weg te branden is?

Het Teatro Karl Marx de la Habana werd die avond het toneel voor de ‘noche de bienvenida’ van Cohiba. We waren blij dat we waren blijven zitten tot wanneer de Britse gitaristen Jack Bruce en Phil Manzanera een potje gingen jammen. Maar waar iedereen op wachtte, was de cocktail in de Cristino Naranjo Club. Daar maakten we immers kennis met de eerste introductie van de week: de Pirámides Extra van Cohiba. Iedereen die ik het vroeg was het er over eens dat deze nieuwe sigaar er eentje van jewelste is. Om namaak tegen te gaan, draagt de sigaar zelfs een bandje waarop het logo van Cohiba in een hologram is aangebracht.

De nieuwe Robaina

Wie van de allerbeste sigaren houdt en alles wil weten over hoe ze worden wat ze zijn, treedt best in de voetsporen van wie de sigaren maakt. En dus reizen we naar de provincie Pinar del Rio om er onze handen in de rode aarde te gaan steken. In het stadje San Juan y Martinez heeft het net geregend. (Het wordt dus een vinger in plaats van twee handen.) Het eerste wat me opvalt, is dat de tabaksplanten kleiner zijn dan ik dacht. Ik stap een veldje in en bedenk dat de planten ook heel dicht tegen elkaar staan. Dat betekent dat de pluk van tabaksbladeren, die in verschillende etappes gebeurt voor elk van de soort bladeren, bijzonder belastend moet zijn.

Héctor Luis Prieto Diaz is de man die de plak slaat op de vega, of tabaksplantage, die we bezoeken. Hoewel hij ook sun-grown tabak teelt, is zijn specialiteit de shade-grown (of tapado) teelt. De tapado, of neteldoek, laat genoeg licht door om de shade grown (of tapado) tabak te laten groeien maar beschermt ook tegen de schadelijke invloed van de zon. Elke plant wordt individueel omhooggebonden aan de doek. En irrigatie is cruciaal.

Raketwetenschap

In 2007 werd Héctor Luis Prieto Diaz gelauwerd op het Festival del Habano voor zijn gebruik van vernieuwende teelt- en irrigatietechnieken. De boer blijft Siberisch koel onder alle media-aandacht die hem en zijn tabak te beurtvallen. De man wordt door kenners de ‘coming man’ van de Cubaanse telers genoemd. Een nieuwe Robaina. Hij glimlacht wanneer ik die woorden herhaal. Deze man is niet weg te branden van tussen zijn tabaksplanten. In de droogschuren zien we waarom al die speciale zorg nodig is. Op het veld zorgen de bescherming en hydratatie voor de meest elastische, zijdezachtige tabak die er is. What you see is what you get. Letterlijk, want deze satijnachtige bladeren worden de huid van uw sigaar: de capa. Tabak slecht voor de gezondheid? De boer zorgt er vooral voor dat hij zijn velden nooit betreedt zonder hoed.

Beetje bij beetje dringt het besef door: tabak wordt in Cuba graag gezien. Cubanen houden niet figuurlijk van sigaren, ze zorgen er ook letterlijk heel erg voor. Dat moet ook, want alleen met intensieve zorgen krijg je de allerbeste tabak. Zo is de medio tiempo, tabak die wordt gebruikt voor de verschillende Behike-modules van Cohiba, een soort tabak die lang niet in elke plant voorkomt. Wie vragen over het nec plus ultra van de tabak stelt, wordt alweer getrakteerd op een brede Cubaanse glimlach. Eigenlijk heeft de tabaksteelt meer van raketwetenschap dan ik ooit had kunnen vermoeden.

Versgerold

De volgende ochtend is het tijd om de handen uit de mouwen te steken op de master rolling class. Een half uur voor de deuren opengaan, heb ik al postgevat aan de deur van de congreszaal. Geen minuut te laat, want ik bemachtig nog net een plaatsje. Voor elke cursist ligt een tabla, de snijplank waarop sigaren worden gerold, een chaveta of gekromd snijmes, een potje met wat goma of vegetale lijm. Uit een plastic zak haal ik een bundel tabaksbladeren. Ik weet al dat ik hier drie bladeren moet uithalen voor de tripa, of het binnenwerk. Maar in de praktijk dient mijn theoretische kennis tot niet veel. Wanhopig staar ik naar het bundeltje en probeer seco, ligero en volado van mekaar te onderscheiden. Dan probeer ik het zachtste blad te vinden, om toch al de capa te kunnen opzij leggen voor later.

Uit het niets duikt een reddende engel op. Inocentia Bartelemi is rolster en schiet me ter hulp. Ze zegt me dat ik de hoofdnerf van het dekblad zelf moet proberen verwijderen. Het zweet staat me nu al in de handen. Nadat ik het bundeltje van de tripa in het omblad heb gerold, weet ik het al: deze nieuwe module wordt nooit een commercieel succesnummer. De torcedora schiet me alweer te hulp, neemt mijn tabakskaars in de vingers, corrigeert wat ze kan en maakt van over mijn schouder (!) de sigaar verder af.

La Corona

Een dag later bezoeken we de sigarenfabriek van La Corona. De dames van de despalillo halen de hoofdnerf uit de tabaksbladeren. Omdat mijn eigen geklungel nog vers in het geheugen ligt, groeit mijn respect met de minuut. De rezagado, of selectie van de dekbladeren in functie van wat nodig is voor de verschillende modules, is mij een compleet mysterie. Hoewel het ene blad wat smaller is dan het andere, zien ze er voor mij eigenlijk allemaal hetzelfde uit. Even verderop werken in de galera letterlijk honderden rollers. Tabak heeft twee jaar nodig, van zaadje tot volledig gefermenteerd blad, om te kunnen worden gebruikt. Een roller heeft een opleiding van negen maanden nodig. En dan nog heeft maar één op de drie de vaardige vingers die nodig zijn om het vak te leren. (Eén-nul voor de tabak!) De groentjes onder de rollers beginnen met de eenvoudigste modules. Voor een ‘maestro torcedor’ zijn er geen geheimen meer. Hij of zij rolt alle modules.

Inocentia

Van La Corona gaat het naar de legendarische fabriek El Laguito. Terwijl bij La Corona verschillende sigarenmerken worden gerold, is deze fabriek uitsluitend gewijd aan Cohiba. Alle rollers die hier werken, worden geacht de verschillende vitola’s te kunnen rollen. Ik sta net een foto te maken in de majestueuze hal wanneer het achter me klinkt: “Katrien!” Daar staat mijn reddende engel van de master rolling class. Ze troont me mee naar haar werktafeltje. We praten terwijl ze rolt. “Ik rol alle modules. Vandaag zijn het Behike 56.” De versgerolde supersterren van Cohiba liggen op een klein stapeltje voor haar. “Dit is mijn eerste werk. Ik doe het nu al een vijfentwintig jaar en ik ben nog altijd verliefd op wat ik doe. Vreemd genoeg blijven sigarenliefhebbers maar denken dat pirámides de moeilijkste sigaren zijn om te rollen. Geloof me vrij: een lancero is stukken moeilijker. Net omdat het zo’n dunne module is.”

Verboden te roken op het werk. In Cuba is het nog niet meteen voor morgen. Verbazend hoe rollers met een sigaar in de mond kunnen werken. En roken zonder inhaleren. Maar zelfs na een kwarteeuw in het gezelschap van de beste sigaren ter wereld valt Inocentia niet te verleiden. “Ik rook niet. Ik heb het zelfs nooit geprobeerd.” Alweer die glimlach, terwijl ze haar vingers over het hoofdje van de Behike 56 laat dansen. Alsof ze zegt: “Ik hoef ze niet te roken. Ik geniet met mijn ogen.”

Katrien Bruyland
@epicuralia

online januari 2017 – copyright tekst en foto’s @epicuralia

Voor het eerst gepubliceerd in El Gusto n°11, zomer-herfst 2012

Informatie over deze reis naar Cuba